Verhaal van Marianne

November 2003

Ik ben Marianne,

Marianne (29): “Van mijn 3e tot mijn 9e jaar ben ik misbruikt door mijn vader. Natuurlijk heette dat geen incest, maar liefde. Alles deed hij, behalve neuken. Maar dat verschil merk je niet als er wel andere dingen in je gestopt worden en je, soms eens per week, soms drie of vier, op alle andere mogelijke manieren wordt aangetast.

Mijn moeder negeerde wat er aan de hand was. Ik weet zeker dat ze wist wat er aan de hand was, want af en toe kwam ze binnen terwijl hij bezig was. Maar dan liet ze zich met een smoesje wegsturen. Ze was afhankelijk van hem en wilde niet het risico lopen hem kwijt te raken. En ze was bang, net als ik. Mijn vader kon heel boos worden en heel agressief. Hij sloeg ons allebei en na verloop van tijd was de dreiging alleen al genoeg om ons in bibberende poppetjes te veranderen.

Het klinkt misschien een beetje rationeel, maar zoiets gaat je niet in je kouwe kleren zitten. Hoe langer het duurde, hoe meer ik lichamelijk een wrak werd. Bij het minste of geringste viel ik flauw, ik werd mager en was heel zwak. Maar het ergste was dat ik me zo ontzettend eenzaam voelde. Alleen en onbeschermd en altijd die vreselijke angst. Daar word je doodmoe van.

Toen ik 9 jaar oud was, nam mijn vader me op een avond mee naar wat in mijn herinnering een heel groot huis was. Dat ik goed mijn best moest doen, zei hij tegen me, en me niet te schande maken tegenover zijn vrienden. Die waren er al, zag ik toen we binnen kwamen. Ik werd uitgekleed en naakt op een tafel gelegd in het midden van de kamer. En de rest van die avond werd ik door 6 mannen verkracht. Er werd veel gedronken, gelachen, er was harde muziek. En ondertussen lag ik op die tafel en werd gebruikt. Urenlang.

De mannen waren nog tot daar aan toe. Zij vonden het eng, hadden het nog niet eerder gedaan. Dus waren ze redelijk voorzichtig, in ieder geval niet al te agressief. Wel moedigde mijn vader ze aan. ´Toe maar, ze is het gewend, alles vindt ze goed´.

Maar bij hen kon ik me nog in leven houden op de manier waarop ik dat altijd deed: mezelf terugtrekken van de situatie. Aan iets anders denken, niet voelen, zorgen dat ik er niet helemaal bij was. Maar toen was mijn vader aan de beurt. Opgejuind door zijn vrienden, die riepen dat ze wel eens wilden zien hoe goed hij zijn dochter onder de duim had. Ik voelde het op het moment dat hij naar me toe kwam: de gebalde agressie. Hier was iemand die een punt te scoren had, die ging voor zijn imago.

Hij trok mijn hoofd over de rand van de tafel, zodat het naar beneden hing. En duwde vervolgens zijn penis in mijn mond. Waar hij klaar kwam, voor mijn gevoel minstens 10 keer achter elkaar. En bij elke keer dat hij dat deed, moest ik meer moeite doen om niet over te geven. Maar dat kon niet, dat voelde ik heel goed. Als ik zou kotsen, zou ik stikken, dat wist ik zeker. Maar op een gegeven moment kon ik het niet meer tegen houden.

Die ene seconde, waarin je weet dat je dood gaat, was het meest afschuwelijke moment van mijn leven. Het fysieke sterven, en dan ook nog op die manier, stikken in kots en sperma, was afschuwelijk en walgelijk. En vreemd ook. Ik herinner me dat ik dingen gedacht heb als ´ik kan niet dood, want ik heb mijn kamer nog niet opgeruimd´ en ´hoe moet dat nou morgen op school?´

Verwarring, het gevoel dat mijn leven eigenlijk nog niet af was. Superpaniek ook, grenzend aan gek worden. En pijn, zoveel dat ik dacht dat ik uit elkaar zou spatten. Gelukkig ben ik vlak voor het allerergste moment, het echte stikken, met grote kracht uit mijn lichaam getrokken. Iets, of iemand, duwde mijn geest met een ruk door mijn kruin naar buiten.

En toen was al het lijden voorbij. De mooiste tijd die ik ooit heb meegemaakt. In het begin was ik nog gewoon in aardse sferen. Ik hing boven mezelf en keek naar beneden. Daar zag ik de mannen staan, die doorkregen dat er iets mis was. Mijn vader, die eerst gewoon doorging, maar na een paar minuten ophield en mijn pols voelde. De paniek die er uitbrak onder de ´vrienden´, die ´wij willen hier niks mee te maken hebben´ riepen en maakten dat ze weg kwamen. En toen weer mijn vader, die door kreeg dat ik dood was en daar helemaal van in paniek raakte. Hij bleef maar aan me schudden, ´word wakker´, ´doe me dit niet aan´.

Ik zag het, maar voelde alleen maar rust. Serene rust. Een zalig gevoel. Veilig. Natuurlijk realiseerde ik me dat ik dood was, maar dat was niet onaangenaam. Meer een kwestie van ´eindelijk´ en ´het is gelukkig voorbij´.

Het was alleen maar goed, thuis komen, ik voelde een enorme liefde om me heen. En de aanwezigheid van anderen. Mensen, geesten. Op een afstandje, maar niet bedreigend. Integendeel, alles in mij wist zeker dat zij me zouden beschermen. Maar ondertussen bleef ik naar beneden kijken en zag mijn vader. Die niet blij was dat ik dood was, zoals ik altijd gedacht had dat hij zou zijn, maar in paniek. En daar trok ik de conclusie uit dat hij toch van me gehouden had. Rare gedachtegang natuurlijk, maar zo denk je blijkbaar als je 9 bent. Je blijft toch de noodzaak tot hoop houden.

Niemand zei iets, niemand sprak me tegen. Iedereen liet me gewoon denken wat ik wilde en daardoor werd die gedachte, ´hij houdt toch van me´, steeds sterker. Op dat moment schoot ik weg uit de kamer en werd naar een heel fel licht gezogen. En hoe dichterbij ik kwam, hoe meer ik me omringd voelde door liefde, respect, rust. Hier hoor ik, dacht ik. Wist ik zeker. Na één keer diep ademhalen was ik door het licht gegaan en in een hele witte ruimte aangekomen. Daar stonden mensen op me te wachten. Mijn opa, mijn neef, wat anderen die ik geen naam kon geven maar die ik wel heel goed scheen te kennen. En mijn gids, een stralend lichte verschijning die zich onmiddellijk over mij ontfermde. Wat nodig was, want ik was natuurlijk niet gelijk in orde. De angst was er nog, op een afstand maar wel aanwezig. En het gebrek aan vertrouwen, aan zelfvertrouwen ook.

Alles was wit, zelfs de mensen waren doorzichtig. En heel voorzichtig werd ik in een soort bedje van dons gelegd. Het leek een beetje op een diertje op pootjes. Zacht, warm, lief. Daar lag ik, terwijl mijn gids over het randje hing en op me in praatte. Dat ik niet bang hoefde te zijn, dat alles goed was, dat ik een belangrijk mens was, dat het bijna voorbij was, dat ik dapper moest zijn. Verzin elk compliment dat je kunt bedenken, verduizendvoudig dat en stel je voor dat iemand die eindeloos blijft herhalen. Dan weet je hoe het voelde. Misschien. En langzaam, beetje bij beetje, verdween de argwaan uit mijn lichaam en maakte plaats voor vertrouwen. In een mum van tijd was wat hij zei de waarheid. En ik genoot. Eindelijk was ik waar ik zijn moest, eindelijk thuis. Geen moment kwam het bij me op dat ze me terug zouden sturen.

Na verloop van tijd voelde ik me vooral heel. Niet dat ik alle ellende uit mijn leven verwerkt had, want dat doen ze niet voor je. Maar ik had mijn echte ik weer gevonden, wist weer wie ik was. En wat belangrijk was: doen wat je zelf goeddunkt, varen op je intuïtie, gevoel gaat boven verstand, wees trots op jezelf. ´Gaat het goed met je?´ vroeg mijn gids na verloop van tijd. En toen ik dat bevestigd had, zei hij: ´dan is nu de tijd gekomen om terug te gaan´.

Onmiddellijk gierde de paniek weer door mijn lijf. Ik wilde niet, smeekte en bad, maar er was niks aan te doen. Ik was nog niet klaar voor mijn werk bij hen, zei mijn gids, ik had nog meer tijd op aarde door te brengen. ´Zo moet het gaan´, zei hij.

Boos werd ik, heel erg boos. Maar de gids bleef daar heel rustig onder. Totaal niet beïnvloed door mijn geschreeuw en relativiteit. Wel kreeg ik iets meer tijd. Tijd waarin ze me beelden uit mijn leven lieten zien. Kleine situaties. De keer dat ik een vriendinnetje op school had uitgescholden. Dat zag ik vanuit het vriendinnetje. En ik voelde hoeveel pijn dat deed. En wist op dat moment heel zeker dat mijn verdriet, mijn slachtofferschap, me nog niet het recht gaf om anderen te kwetsen. Niet als ik integer wilde leven. Pijn is pijn, of dat nou klein is of groot, zag ik. En ik had het recht niet om anderen te verwonden. Zeker niet als ik dat deed als reactie op mijn eigen situatie. Want was ik eigenlijk wel een slachtoffer? Of was het niet veel eerder zo dat ik voor een leven had gekozen waarin ik deze les te leren had? De laatste les, van de laatste incarnatie, die ik nog te gaan had. Voordat ik zelf een soort gids zou kunnen worden. Want daarvoor heb je nodig dat je begrip hebt voor alle mensen, dat je alle gevoelens en standpunten kunt snappen. En de enige manier waarop dat kan, is als je het zelf hebt meegemaakt.

Er zijn niet veel echt slechte mensen op de wereld, begreep ik opeens. Iedereen doet, binnen zijn of haar mogelijkheden, het beste. Zelfs mijn vader wist niet beter, snapte ik. Natuurlijk heeft hij foute keuzes gemaakt. Iemand pijn doen is niet de bedoeling, zeker niet in het groot. En als je het doet terwijl je wéét dat het verkeerd is, alleen maar omdat je het lekker vindt dat iemand lijdt, dan ben je absoluut verkeerd bezig. Maar mijn vader heeft wat hij gedaan heeft altijd gezien als liefde, als aandacht. Hij wist gewoon niet hoe hij anders van me zou kunnen houden en geloofde werkelijk dat dit beter was dat helemaal geen emotie tonen. En dus kan ik hem niet veroordelen. Zijn werkelijkheid is gewoon anders dan de mijne.

Toen ik eenmaal begrepen had wat de bedoeling was, werd ik wat rustiger. Dat moment hebben ze gebruikt om me terug te duwen. Voordat ik het in de gaten had, zat ik weer in dat walgelijke lijf dat naakt op een tafel lag. Alleen was het nu nog erger, want de ontsnappingsmogelijkheid, dood gaan, was er niet meer. Vluchten kon niet, bevrijding was fictie geworden, en dat was heel erg eng. Claustrofobisch.
Mijn vader stond middenin de kamer, dat was het eerste dat ik zag. En omdat ik nog steeds het idee had dat hij van me hield, riep ik ´papa, ik ben er weer´. Waarop hij woedend op me werd en me in een hoek sloeg. Schelden, meppen, de dreiging was weer helemaal terug. Mijn vader was dus helemaal niet blij dat ik leefde, realiseerde ik me toen, alleen maar dat hij geen kind vermoord had. Dat was een waanzinnige klap. Weten dat ik door moest met een vader die zo over me dacht. En dat met de liefde van de andere kant nog in mijn botten. Dat contrast was bijna te groot om te kunnen dragen. Ik weet nog dat ik als een klein verward vogeltje in die hoek heb gezeten, hondsberoerd.

En elke keer als mijn vader ook maar in de buurt kwam raakte ik in paniek. Het idee dat hij me weer zou aanraken maakte me ziek. Ik was ook boos op mijn gids en de anderen. Waarom hadden ze me hier naartoe teruggestuurd? Hoe konden ze me zo aan mijn lot overlaten? Hoezo was dit mijn pad, dat kon toch nooit de bedoeling zijn?

Die avond is heel prozaïsch aan zijn eind gekomen. Na verloop van tijd heb ik me aangekleed en heeft mijn vader me naar huis gereden. ´Ze voelt zich niet zo lekker´, zei hij tegen mijn moeder. En die vroeg niks. Stopte me in bed, zorgde dat ik veel sliep. Alsof ik een griepje had. Na een week ben ik weer naar school gegaan. Gewoon. Terwijl alles veranderd was. Hoewel ik wist dat het zo moest zijn, voelde ik me ontzettend in de steek gelaten. Teleurgesteld, dat ook, alleen gelaten. En ontmoedigd, want nu ik geen ontsnappingsmogelijkheid meer had was er maar één weg mogelijk: rechtuit, er dwars doorheen. Want de les moet je toch leren. En ik moest er niet aan denken om een andere keer, in een volgend leven, weer helemaal opnieuw te moeten beginnen.

Overigens veranderde mijn leven wel. Mijn vader distantieerde zich van me, want koud was, maar ook betekende dat de incest ophield. Mijn moeder deed haar best wel, maar ik was een wrak. Beheerst door doodsangsten. Als iemand verkeerd adem haalde, raakte ik al in paniek. Bang om te stikken. Bang om weer te voelen wat ik toen gevoeld had. Ondanks de liefde van de bijna dood ervaring had ik ontzettend weinig zelfvertrouwen meegenomen naar dit aardse bestaan. Dat kwam ook omdat ik zo weinig mogelijk wilde nadenken over wat me wat er met me was gebeurd. Dat kon ik gewoon niet. Niet zozeer om wat me was overkomen toen ik dood was, maar omdat die ervaring ook gelijk de pijn en het verdriet van het dood gaan en weer terug moeten komen opwekten. Ik kon gewoon geen chocola meer maken van mijn leven, het werd geen geheel meer. En daarom kon ik ook nauwelijks in praktijk brengen wat ik geleerd had: liefde, bekijk iedereen vanuit zijn eigen werkelijkheid. Dat lukte me maar slecht.

Het enige dat me op de been hield was dat mijn gids bij me was gebleven. Hij was altijd om me heen, tegen hem kon ik praten en dat troostte hij me. Van hem kwam de bescherming, bij hem voelde ik me veilig en gewapend tegen de buitenwereld. Ik denk wel eens dat mijn bijna dood ervaring en de gids die dat heeft opgeleverd, hebben gezorgd dat ik de incest heb overleefd. Intact, als een hele ziel. Ik moest door, maar wel met iemand naast me die wist hoe moeilijk het voor me was. Iemand ook die me nooit beoordeelde en altijd onvoorwaardelijk van me hield. Dat was een enorme steun.

Ik ben bij mijn ouders blijven wonen tot ik ging studeren. En ook in de tijd daarna bleef ik met duizenden draadjes aan ze verbonden. Dat is het vreemde aan intense ervaringen, ook als ze gruwelijk zijn. Ze binden je vast aan degene met wie je ze hebt doorstaan. En omdat ik nauwelijks zelfvertrouwen had, bleef die band eigenlijk vanzelf heel sterk aanwezig. Totdat ik de moed kon opbrengen, een jaar of 10 geleden, om al mijn ervaringen onder ogen te zien en in therapie te gaan. Dat heeft ontzettend geholpen. Erover praten, geaccepteerd worden, jezelf op een goede manier leren bekijken, heeft helend gewerkt. Natuurlijk is het een langdurig proces en ik ben er nog steeds niet helemaal. Maar er zit wel schot in.

Sinds een aantal jaar zie ik mijn ouders eigenlijk nooit meer. Zij ontkennen wat er gebeurd is en dat vind ik een te negatieve ervaring om in mijn leven toe te staan. Wat dat betreft maak ik nu radicale keuzes. Omring me met mensen die emotioneel gevoelig zijn en bij wie ik mezelf kan laten zien. Probeer mensen in nood te ondersteunen met kleine gedichtjes of een aardig cadeautjes. En momenteel ben ik hard aan het werk om de Benelux-rechten te krijgen voor het ´Pay-it-forward´-systeem. Je weet wel, van die film. Ik doe iets voor jou onder de voorwaarde dat jij dan iets doet voor drie anderen. Die op hun beurt weer drie anderen helpen. Dat zie ik op het moment als mijn taak: mijn nieuwe inzichten gebruiken om de wereld een beetje beter te maken. Per slot gaat het daar natuurlijk eigenlijk over. Dat heb ik tijdens mijn bijna dood ervaring wel gezien.”

Terug naar Index Verhalen

COPYRIGHT © 2000 – 2016 Alle rechten voorbehouden
Stichting Lotgenoten Incest Slachtoffers

Scroll Up
Visit Us On TwitterVisit Us On FacebookVisit Us On Youtube